Daar,
vlak naast die gouden regen,
stond eens mijn ouderlijk huis.
Nooit kwam je er auto's tegen,
al leen onze poes,
want die was nooit thuis.
De schuur was er om ons te verstoppen,
uit de voordeur hing altijd een koord.
Op zolder speelde ik met m 'n poppen
en m 'n droomwereld
werd nooit verstoord.
Ons huis, dat heerlijke huis,
waar ik als kind zo veilig kon zijn.
De tuin, de straat en het plein
en de oude buk die moe lijkt
te zijn.
Eerst konden we een flatje delen
met enkel een heel klein balkon.
We wilden alleen maar de sterren stelen
en soms op een straal van de zon.
Ons huis, dat heerlijke huis,
een plek waar je warm en
veilig kon zijn.
Ons bed, de mand van de hond,
met mensen volop
en verder gezond.
Nu zijn we aan meer ruimte toe,
uitgedeld en vaak moe,
graven wij steeds maar door.
In dit huis houdt de ontrouwde wacht,
en dit huis geeft ons kracht,
want daar doen we het voor.
Ons huis, dat heerlij ke huis,
een plek waar je moe en veilig kan zijn.
De poes, de beuk en de hond,
het is allemaal goed.
De cirkel is rond,
ons huis, dat heerlij ke huis.
Een plek waar je moe en veilig kan zijn.
De poes, de beuk en de hond,
het is allemaal goed.
De cirkel is rond,
de cirkel is rond.